Combinatietest

Met dit onderzoek wordt de kans berekend op een kind met Downsyndroom. De test bestaat uit een combinatie van twee onderzoeken:

-Een bloedonderzoek bij de zwangere vrouw, tussen 9 en 11 weken zwangerschap.
-Een echo-onderzoek (nekplooimeting), tussen 11 en 14 weken.

Bloedonderzoek

Tijdens het bloedonderzoek word er bloed afgenomen. In dit bloed zit tijdens je zwangerschap 2 hormonen, deze worden gemeten.

Echo

Bij de echo (nekplooimeting) wordt bij het ongeboren kind de dikte van de nekplooi gemeten. De Nekplooi is een dun laagje vocht onder de huid in de nek. Deze is aanwezig bij elk ongeboren kind tussen 10 tot 14weken. Is de nekplooi verdikt dan is er een verhoogde kans dat het kindje het Downsyndroom heeft.

Uitslag

Voor de uitslag worden de beide uitslagen gecombineerd met de leeftijd van de zwangere en de precieze duur van de zwangerschap.
Met de combinatietest wordt de kans ingeschat dat je in verwachting bent van een kind met Downsyndroom. Na het onderzoek weet je dus niet zeker of je kind wel of geen Downsyndroom heeft. Bij een niet-verhoogde kans blijkt bij de geboorte heel soms dat jullie kind deze aandoening toch heeft. Andersom betekent een verhoogde kans lang niet altijd dat je kind de aandoening ook echt heeft. Een verhoogde kans is een kans van één op 200 of groter dat je op het moment van het onderzoek zwanger bent van een kind met Downsyndroom.

Een vrouw die een verhoogde kans heeft, komt in aanmerking voor vervolgonderzoek Vervolgonderzoek (prenatale diagnostiek) kan met zekerheid vaststellen of jullie kindje het Downsyndroom heeft. Prenatale diagnostiek is de vlokkentest of de vruchtwaterpunctie. Bij zowel de vruchtwaterpunctie en de vlokkentest is er een kans op een miskraam als gevolg van het onderzoek.